Ploegstop

De tweede en meest veilige is de ploegstop. Voordeel van deze stop is dat je volledig overzicht op de verkeerssituatie houdt en in de rijrichting kunt blijven kijken.

ploegstop01Stap 1:

Rollen in de de parallelstand. De neus van de skates, knieën en schouders staan in 1 lijn. Je kijkt in de richting waarin je skate.

Stap 2:

Laat de skates wijd uitlopen, dusdanig dat je met je benen in een ongemakkelijke wijde houdingdoor rolt. Doordat je wielen nu schuin het wegdek raken, komt er meer wieloppervlak in contact met de bodem, waardoor de druk per cm2 minder wordt en de wielen dwars tegen de rijrichting kunnen glijden of slippen (het eigenlijke remmen).

Stap 3:

Als je balans goed aanvoelt in het rijden met de benen wijd, laat je neuzen van de skates naar binnen sturen en daarbij help je door de tenen in de schoen omhoog te trekken. Tegelijkertijd zak je je licht door je knieën en probeer je met je hielen je achterste wielen van beide skates naar buiten te duwen. Let hierbij op dat je skates ten opzichte van het wegdek nog steeds schuin staan.

ploegstop02Stap 4:

Om extra remdruk te geven, laat je de billen iets zakken en probeer je door je ellebogen tegen je zij te laten drukken iets meer remdruk te geven. Zoiets als op een Frans hurktoilet. Als je nog niet tot stilstand bent gekomen laat de skates nog een keer naar buiten lopen en herhaal je het geheel. Bij een gemiddelde snelheid kun je binnen 6 meter tot stilstand komen.

Tip: door op het laatste moment je benen onder je lichaam door te laten rollen en extra druk te geven rem je harder.

Tip: door deze remtechniek te combineren met een slalom beweging kun je ook remmen, maar ook heel gecontroleerd een helling of brug afdalen. Blijf er op letten dat je skates schuin genoeg staan ten opzichte van het wegdek. De remwerking ontstaat juist door het slippen en glijden.

Let op: houdt de armen voor je in de rijrichting.

Aandachtspunten:

  • Skeelers te rechtop (alleen als ze schuin staan dan glijden en remmen ze). Skeelers en onderbeen naar binnen.
  • Onvoldoende spreidstand.
  • Hoog zitten (LZP te veel voorop).
  • Achterover vallen (hoeken scheenbeen te recht).
  • Voorover vallen (romp te ver voorover).
  • Knieën blijven gebogen en naar voren wijzen.
  • Rechte koers houden.
  • LZP dient laag te blijven en achter rempositie.

 

 

Reageer